Moed houden.

Moeilijke, verwarrende tijden. Weinig perspectief. De stip op de horizon (b)lijkt een fata morgana. Houvast (b)lijkt drijfzand. Zo kan je je voelen.

Onderstaand gedicht van Herman Andriessen nodigt uit om moed te houden, eenvoudig voort te gaan, als je dat kunt.

Je kunt er een ‘Lectio Divina’ mee doen. Dat kan hier ook online.

Klik hier voor de download van het gedicht.

Klik hier voor de handreiking ‘Lectio Divina met een gedicht’.

Klik hier voor de online ‘Lectio Divina met het gedicht’.

Teneergeslagen & somber ?

Voor het eerst in deze ‘Corona-tijd’ naar een kerkdienst geweest – in dit geval een avondgebed in de Sint Jan in Gouda. Grote monumentale gotische kerk met de beroemde Goudse Glazen.
Als ik daar zit heb ik heel wat te kijken. Vandaag maakt de pilaren galerij indruk op me: gedrágen worden – tegen een stootje kunnen – ademruimte creërend – ook al is het een beetje benauwd in de kerk.
Deze ruimte – een beeld van het ‘koninkrijk van God’?

Twee voorgangers, een lector en een musicus. Vijftien kerkgangers – netjes op ruim 1,5 m – de vesper wordt opgenomen en wordt later bekeken door zo’n tachtig online-gasten.

Het avondgebed volgt de klassieke opbouw van de Vespers. Dat is goed te merken: geen gelikte presentatie, maar een sobere liturgische gang waaraan je kunt deelnemen of die je aan je voorbij kan laten gaan – je kunt er je aandacht aan schenken, maar deze wordt niet opgeëist. De liturgie is er zoals de pilaren er zijn: ze draagt het avondgebed omhoog, of ik dat nu in de gaten heb of niet…..

We komen in stilte binnen. Het licht van Christus is zichtbaar aanwezig in de brandende Paaskaars.

Er klinkt ‘Musica pro Deo’ (muziek als offer aan God), gevolgd door een Openingsvers.

Het hart van de Vespers is het gezongen Psalmgebed. We reciteren de onberijmde tekst op één of meerder ‘Psalmtonen’/’Abdijtonen’, afgewisseld met een ‘Antifoon’. Veelal klinkt de Psalm van de zondag voorafgaand aan de Vespers.

De Schriftlezing is genomen uit het Rooster bij het dagelijks gebed uit het Dienstboek, een proeve (1998).

Na geruime stilte klinkt opnieuw ‘Musica pro Deo’ en vervolgens het Magnificat, de Lofzang van Maria.

We bidden een avondgebed, doen voorbede en besluiten met het Onze Vader.

Na het zingen van een avondlied wordt de gebedsdienst besloten met een zegenbede, waarna we in stilte de kerk verlaten.

De Schriftlezing is dit keer, naast mijn verstillende aanwezigheid in deze kerk, een hoogtepunt. Ik lees (een deel van) de tekst hier aan je voor.

In de (veel te korte – wat mij betreft een jammerlijk tekort in protestantse vieringen) stilte, die op de schriftlezing volgt, mijmer ik over die somberheid en teneergeslagenheid van de vrome, punctuele man in het verhaal. Somberheid en teneergeslagenheid die in dit verhaal een vrucht lijkt van – ja van wát? Nee, ik denk niet dat Jezus een nieuw maatschappelijk, economisch model aanprijst, maar wél mij een spiegel voor houdt: wat houdt míj af van ‘het koninkrijk van God’? Waaraan ben ik te sterk gehecht? Mijn ambities? Mijn uitgestippeld leven? Wat kan ik niet loslaten?
Het antwoord wéten is één ding, het ernaar handelen is nog heel wat anders. Mijn dagelijkse Stiltemeditaties lossen dit niet voor mij op, maar ze helpen me wel.

Wat houdt míj af van ‘het koninkrijk van God’?